Ds. Bot heeft een aantal preken, meditaties en Bijbelstudies geschreven die je hier kunt lezen of downloaden.

Heb je naar aanleiding van het lezen van de Bijbel, het luisteren naar of lezen van een preek of een bezoek aan onze kerk een vraag of zit je ergens mee? Neem gerust contact op met onze predikant ds M(ark) Bot. Hij gaat er vertrouwelijk mee om.

 

‘Het is zomervakantie, en dat is genieten van rust. Genieten ook van de schepping. Maar door de ecologische crisis waarin we leven roept dat ook vragen op. Hoe ben ik een goede rentmeester over de Schepping? Afgelopen voorjaar heb ik daar drie keer over gepreekt, vanuit Genesis 1 en 2. Deze preken kan je hier eens rustig teruglezen. In de eerste preek kom ik eigenlijk nog nauwelijks aan de ecologische crisis toe, maar sta ik eerst stil bij ons levensgevoel in deze wereld. Weet ik me veilig? In de tweede en derde preek kunnen we dan nadrukkelijker kijken naar Gods plan met de schepping, en onze rol daarin. Zegen op het lezen gewenst!’ ds. Mark Bot

1. Genesis 1:1-2:3 – de ecologische crisis en de balansoefening

ook te beluisteren

De balans is kwijt. Zo kunnen we dat toch wel zeggen als het gaat over de verhouding mens en natuur. De afgelopen jaren begint het steeds meer tot ons door te dringen: het gaat niet goed met het milieu, en dat komt door het handelen van de mens. Er ontbreekt een evenwicht, een balans. En als we niet ingrijpen slaat het door: dan blijft de aarde verder opwarmen, dan blijft de bio-diversiteit afnemen, dan blijven we oerwouden kappen tot er niets meer over is.
We beseffen: er moet een nieuwe balans gevonden worden. En dus is er de nadruk op duurzaam leven, worden er klimaat-akkoorden gesloten en gaan we de plastic soep en de overbevissing in de oceanen te lijf. De balans tussen mens en natuur moet terug.
En in dat kader wordt dan ook Genesis 1 erbij gegrepen, Genesis 1 vanaf vers 26, waar over het scheppen van de mens gesproken wordt, die moet ‘heersen’ over de schepping, en die ‘onderwerpen’. Wat is dan onze taak, en hoe brengen we bijbels balans aan tussen mens en natuur?

Weet u? De juiste balans tussen mens en natuur – en zo ook de Bijbel lezen: dat is ronduit vermoeiend. En om wanhopig van te worden. Alsof wij de boel even gaan glad trekken. En alsof dat de kern van Genesis 1 is: wij en de natuur, en nu zijn wij aan zet. Dat is ronduit vermoeiend, en ronduit hopeloos. Zo zal er geen hoop zijn, en geen evangelie. Want weet je: dan kijken we te plat naar de dingen. Alsof er alleen de mens en de natuur is, en daarbinnen moet het dan goed komen. Als er iets is in Genesis 1 dat een uitweg biedt, dan is het de boodschap dat er balans moet komen tussen: mens, natuur, en God! Zo wordt de milieu-crisis opengebroken! Genesis 1 gaat niet in de eerste plaats over de mens, en niet in de eerste plaats over de natuur, maar: over God! En hoe die drie met elkaar in balans horen te zijn: De mens: ten opzichte van God, en ten opzichte van de schepping.

We leven in een milieu-crisis, en we voelen ons schuldig, en wanhopig zeggen we: ‘wat moeten we doen!’ – en we kijken alleen horizontaal naar oplossingen: welke milieu-maatregelen moeten we nemen?! Maar Genesis 1 zegt: wacht even: kijk eerst eens naar wie God is in deze milieu-crisis, voordat je je gaat afvragen wat jij moet doen. We moeten God betrekken in onze balansoefening, anders komt de balans er nooit, en is er geen hoop.

Ja, maar hoe dan? Waar en hoe is God er dan in deze crisis? Wordt dit niet een overgeestelijk ontvluchten van de problemen? God gaat de ontbossing toch niet tegenhouden, dat moeten wij toch doen?! Ja; we kunnen God eigenlijk helemaal niet plaatsen in deze milieu-crisis. Waar is Hij?

Nu, laten we kijken naar Genesis 1.
Nu, dan blijkt God van begin af aan al uit geweest te zijn op een soort balans-oefening tussen God, mens en schepping. Wij zien Genesis 1 als een soort statische beschrijving van: God schiep de wereld, God schiep de mens, en dat zij dan zo. God kan zich terugtrekken, en de mens… ja, die doet maar wat. God maakt een wereld, en trekt zich terug. Nu zijn wij aan zet, om te heersen en te onderwerpen, vers 26, vers 28. Maar zo is het niet! Dat is een balans-oefening met God buiten spel. Nee, we zien in Genesis 1 een God die intens betrokken is op Zijn schepping, op zowel mens en dier, en die daar steeds mee in contact wil blijven.

Ten eerste blijkt de natuur helemaal niet los te bestaan van God.

Zonder God is er namelijk helemaal niks, ook geen natuur.

Noem het dan ook liever schepping in plaats van natuur of milieu, want schepping drukt uit: het is er door de Schepper, die alles heel zorgvuldig gemaakt heeft en in stand houd. God die dag voor dag orde in de chaos brengt, die licht brengt in de duisternis de woestheid en de warboel, en dan per dag alles bekijkt en zegt: ‘het is goed’. God, die voor ons mensen in ons bedreigd bestaan een veilig huis bouwt, met een gedekte tafel. Alles perfect in balans.
En God die dan zegt: wees een afspiegeling van Mij; als beeld van Mij, en: wees koning over deze schepping, zoals ik Koning was toen ik het maakte! In Mijn intense betrokkenheid en schoonheid! Leef voortdurend voor Mijn aangezicht, waardoor wij beiden voortdurend zeggen kunnen: ‘Het is zeer goed’.
Mensen: jullie zijn geschapen naar Mijn beeld en gelijkenis, met dus de heerschappij over de schepping, en doe dat op een manier die past bij Mijn schepping.

En zo ontstaat er een opdracht tot balans tussen mens, Schepper en schepping. Een blijvende oefening tussen 3 in plaats van twee. Mens, schepping en Schepper.
Dat is Genesis 1, en zo zal het zich verder uitrollen in de volgende hoofdstukken. De schepping is niet los te zien van God. En wij zijn niet los te zien van God.

Dat betekent: wij kunnen het klimaatprobleem niet oplossen als wij God niet kennen. Schepsels los van hun schepper kunnen de schepping niet redden. Want wij kunnen dat alleen als beeld van God. Vers 26: ‘En God zei: Laten Wij mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en laten zij heersen over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht, over het vee, over heel de aarde en over al de kruipende dieren die over de aarde kruipen!’

Zonder God is de schepping voor ons al snel lastig. Vanuit eigenbelang willen we de schepping al snel uitbuiten in ons voordeel, en dus spreken we al snel over ‘milieu’ in plaats van over schepping. Een heel afstandelijk woord: ‘milieu’. En dan vooral als een probleem. Wij willen van alles, maar ja: dat is weer slecht voor het milieu. Het irriteert ons en belemmert ons. Intensive landbouw, want het land is van ons, en tot op de centimeter wordt het land functioneel benut, met alleen economische, menselijke belangen. We vissen de oceanen leeg puur uit economisch oogpunt, verder niet. Onze hebzucht wil meer voor minder geld. En dan verwordt de schepping tot ‘milieu’, en is alleen maar lastig.
Dan zijn we dus de balans kwijt. Want: we willen koning zijn over de schepping, zonder de Schepper. De Schepper, die met ons meekijkt, en verlangt dat we komen tot het oordeel: ‘en zie het is zeer goed’. In de vorm van lofprijzing. Zo de aarde beheren, en zo Gods zegen ontvangen; de zegen van vermenigvuldiging. Maar in plaats van afhankelijkheid en lofprijzing is er hebzucht en mopperen. Nee: pas met God de Schepper in contact kunnen we de balans-oefening aan; is er een uitweg van hebzucht naar dankbaarheid en van lastig naar lofprijzing. God wil er in betrokken zijn, en Hij zegt: Leer de schepping te zien zoals Ik ze zie, en zoals ik ze bedoeld heb. Namelijk: als een veilig huis midden in een bedreigd bestaan. Met een gedekte tafel. En zie: het was zeer goed.

De schepping is niet lastig; het is het veilige, goede huis dat Ik jullie uit liefde gegeven heb.
Voor God schiep was er woestheid en warboel. En duisternis. Maar God zei: er zij licht, en er was licht. En God zag wat Hij gemaakt het, en zie: het was zeer goed. Wees dankbaar voor deze goede wereld, en wees zuinig op dit veilige huis!

Alleen al als je wakker wordt: het is weer licht! God verdrijft de duisternis van de nacht, en: wij kunnen leven; leven in het licht! Wie wel eens letterlijk ’s nachts ergens van wakker ligt, die weet wat het is: uitzien naar het licht! En ja, God is trouw, Hij schept een wereld waar het elke morgen weer licht wordt. God verdrijft het donker, als actieve daad, elke morgen nieuw. Waar is God in de schepping? Daar!

En waar de chaos van de oervloed ons bedreigen: God scheidde land en water, zodat wij een plek hebben om te leven. En om te eten. God liet de fruitbomen opkomen, in al hun soorten en maten; en wij hebben te eten. God bracht ritme in de wereld, van zes dagen werken en 1 dag rust, en God bracht seizoenen aan, en zo leven we niet in chaos, maar in orde, in vrede. Vers 14: ‘En God zei: Laten er lichten zijn aan het hemelgewelf om scheiding te maken tussen de dag en de nacht; en laten zij zijn tot tekenen, en tot aanduiding van vaste tijden en van dagen en jaren!’
En God schiep de dieren: vissen, vogels, landdieren, ieder naar zijn aard. In een enorme hoeveelheid, met een enorme biodiversiteit. Want, staat er: het water wemelt van de vissoorten, en de vogels; en: laten zij talrijk worden op de aarde! (vers 21, vers 22).
Een ongekende biodiversiteit; en wat wij daar ook van vinden, God zegt: en zie, het was zeer goed.

En God zegt tot de mens: Ik geef jullie een zeer bijzondere taak: jullie zullen Mijn onderkoning zijn; houdt deze schepping in balans. Door onderkoning te zijn zoals Ik dat ben: intens betrokken; liefdevol; uitbundig; geduldig; creatief. Wees zo Mijn beelddrager.
Wees Mijn beelddrager, door steeds weer tot dat zelfde punt te komen als Ik: de belijdenis: en zie, het is zeer goed. En dat is: lofprijzing op de Schepper om Zijn goede werk. Een mooi huis; een goed huis; een veilig huis.

Dat is de dynamische, spannende balans in Genesis 1. Een goede Schepper, die in vertrouwen veel uit handen geeft aan de mens, om zelf zijn veilige, goede huis in stand te houden. Tot eer van de Schepper.

Wat een kwetsbare balans!
God, wat doet u door de mens zo een verantwoordelijkheid te geven! Dat kan hij niet aan!
Zie maar in Genesis 2 en verder. De balans is eigenlijk direct al zoek. De mens wantrouwt zijn Schepper, wantrouwt zijn mede-schepsels, en voelt zich niet veilig in de schepping.
Al snel is de balans ver te zoeken. Adam en Ava vertrouwen God niet; Kain vertrouwt zijn broer niet. En leugen en doodslag verspreiden zich als een olievlek over de wereld; en wij staan nu buiten het paradijs, met een vervloekte aarde die doorns en distels voortbrengt.

En nu verwoesten wij ons veilige huis zo ongeveer tot op het fundament, met een ecologische crisis die zijn weerga niet kent. De wereld bloedt uit duizend wonden, en het is onze schuld! Totaal uit balans, en het is onze schuld! God, waar bent U; God hoe moet dit verder?! Lees zelf een Genesis 1 tot en met 11, komende tijd; hoe moedeloos wordt je van de mens; hij kan werkelijk geen balans houden, vanaf dag één niet. Op alle gebieden niet; niet alleen de schepping; maar ook: naar de medemens; leugen, doodslag en oorlog; en een torenbouw in Babel als opstand tegen God zelf. God, hoe moet dat dan? Met hoogmoed, met oorlogen, maar ook: met de schepping?

Wel; vanuit die oergeschiedenis leert God ons dan twee dingen.

Één: in dit bedreigde bestaan blijft God ons onze eigen verantwoordelijkheid geven. God neemt het stuur niet over, maar in Zijn liefde en geduld blijft Hij ons het heersen toevertrouwen. Wanneer Kain op het punt staat zijn broer te doden, staat heel nadrukkelijk beschreven hoe God hem indringend op zijn verantwoordelijkheid wijst, want hij heeft de keuze om het toch niet te doen. Genesis 4:6,7. ‘Toen ontstak Kaïn in grote woede en liet hij zijn hoofd zakken. En de HEERE zei tegen Kaïn: Waarom bent u in woede ontstoken en waarom heeft u uw hoofd laten zakken? Is het niet zo dat u, als u het goede doet, uw hoofd kunt opheffen? Maar als u niet het goede doet, ligt de zonde aan de deur. Naar u gaat zijn begeerte uit, maar ú moet over hem heersen.’
Al is er altijd moord, al zijn er altijd oorlogen in deze wereld: God wijst de mens indringend op zijn verantwoordelijkheid. Je kunt het ook niet doen.

Zo ook met de schepping. Hoe dit veilige huis ook door onszelf gesloopt wordt, er blijft de indringende oproep tot een keuze: je kunt het ook niet doen.
‘Is het niet zo dat u, als u het goede doet, uw hoofd kunt opheffen? Maar als u niet het goede doet, ligt de zonde aan de deur.’

Heft uw hoofd op en doe het goede. Al ligt de zonde van de hebzucht aan de deur: weest goede beheerders van het veilige huis dat God ons geschonken heeft. Het is terecht dat duurzaamheid op de agenda staat. Het is onderdeel van de balansoefening van het leven, waarin God ons geplaatst heeft. Zorg voor de schepping is ons opgedragen sinds wij beelddrager van God zijn. Dat heeft niets met politiek links of rechts georiënteerd zijn, het is voluit Bijbels. Je zou je hoofd laten zakken, uit moedeloosheid. Maar God zegt: ‘Is het niet zo dat u, als u het goede doet, uw hoofd kunt opheffen?’
Ja, heeft dat dan zin? Maakt mijn aandeel in deze ecologische crisis dan echt het verschil?
Het is alsof we op een zinkende Titanic staan, en God ons dan nu oproept: ‘Hozen!’ En dat met opgeheven hoofd? Heeft dat dan zin?

Ja! Want dat is het tweede: al staan wij op een zinkende Titanic te hozen, God belooft: het schip zal niet zinken. Dat is het tweede uit de oergeschiedenis. Hoe alles ook misgaat door de mens, steeds komt God reddend tussenbeide. En God geeft beloftes van herstel, en sluit na de zondvloed zijn verbond met de mensen. Nooit meer zal het zo misgaan. De moederbelofte zal doorzetten: uit Eva’s nakomelingen zal iemand voortkomen die de perfecte balans zal houden.
En daarom laat God het schip van de schepping niet zinken. Zelfs bij Noach niet. Door de zonde is er dan ont-schepping, maar: God laat Noach een boot bouwen waarin alle diersoorten gered worden, en de mens. Al hangt het door onze zonde aan een zijden draadje, God laat niet los. Vanaf de eerste on-balans, door Adam en Eva, was er al de moederbelofte in Genesis 3: uit Eva zal het verlossende nageslacht komen dat wel balans zal vinden; de nieuwe Adam, Jezus Christus.
Jezus hield balans, en sinds Pasen is het bevestigd: ‘De Heer regeert, Zijn Koninkrijk staat vast.’

God is getrouw, zijn plannen falen niet,
Hij kiest de zijnen uit, Hij roept die allen.
Die ‘t heden kent, de toekomst overziet,
laat van zijn woorden geen ter aarde vallen;
en ‘t werk der eeuwen, dat zijn Geest omspant,
volvoert zijn hand.
De Heer regeert! Zijn Koninkrijk staat vast,
zijn heerschappij omvat de loop der tijden;
een sterke hand, die nooit heeft misgetast,
blijft met het heilig zwaard des Geestes strijden;
en d’ adem zijner lippen overmant
de tegenstand.

Dus ja: de milieu-crisis. Het is een balansoefening; niet tussen mens en natuur, maar tussen mens, God en natuur. Wij moeten uit geloof leren leven. Alleen door bekering is er het zicht op God de Schepper en op Jezus, de volmaakte mens. De Geest leert ons balans houden.

Dus ja: de milieu-crisis. We staan op een zinkend schip. En toch: wij hebben onze verantwoordelijkheid. Om in liefde, geduld, creativiteit daarop te antwoorden. Balans houden, en dus toch hozen! Toch hozen, en zo heersen over de schepping. Met het hoofd omhoog. Want God belooft: het schip zal niet zinken! De volmaakte balans zal komen.

Amen

2. De zevende dag: rust in God, rust voor de schepping

ook als preek te beluisteren

Genesis 2:1-3, Leviticus 25:1-7

 

 

Op welke dag was God klaar met Zijn scheppingswerk? ‘Ja, op de zesde dag natuurlijk!’ Ja, dat zou je denken. En toch staat er heel opvallend in Genesis 2 vers 2: ‘Toen voltooide op de zevende dag God Zijn werk, dat Hij gemaakt had.’ Het staat in de SV en HSV nu meer in een bijzin, misschien wel uit een soort verlegenheid, maar dat klopt niet. Het is een bewuste hoofdzin aan het begin: ‘Toen voltooide op de zevende dag God Zijn werk, dat Hij gemaakt had.’
Aan het einde van de zesde dag lezen we dat God terugkijkt op die dag, en zegt: het is zeer goed. 1 vers 31. Dat brengt sommige uitleggers en vertalingen dan in verlegenheid als er dan in 2 vers 2 toch staat: en God voltooide zijn werk op de zevende dag! Toch staat het er be-wust: God voltooide Zijn werk op de zevende dag. Dat betekent: Op de zevende dag ver-klaarde God Zijn werk ook echt als af, en keek Hij er in Zijn geheel op terug. En dat is onder-deel van Gods rusten op die dag.Dat betekent: de rustdag hoort helemaal bij de scheppingsweek! Werk en rusten mag je nooit los zien van elkaar. Je bent nog niet klaar met je werk als je er niet ook echt op terugkijkt en van uitrust, en je hebt niet echt rust als je niet ook op je werk terugkijkt. Werk en rust horen bij elkaar. De zevende dag is de dag dat God oordeelt: ‘ja, en nu is mijn werk voltooid; het is helemaal af; Ik kan rusten’. Vers 2: ‘Toen God op de zevende dag Zijn werk, dat Hij gemaakt had, voltooid had, rustte Hij op de zevende dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had.’. Als het af is, als het voltooid is, kan er gerust worden. Dat hoort dus bij de schepping! Rust. Om-dat het af is; voltooid; klaar. Dat is toch zeer opmerkelijk! Namelijk: dat God dus blijkbaar rust. Dat is opmerkelijk.

Ten eerste: het wekt de indruk dat God zes dagen hard aan het werk was om het af te krijgen… maar: die zes scheppingsdagen: ‘God sprak en het was er’. Dat zijn scheppingswerken van een split second! God hoefde toch niet hard te werken om het af te krijgen, want: Hij sprak en het was er. Moet God dan rusten?
En ten tweede: lezen we juist niet elders in de Bijbel dat God helemaal niet rust? Want: God wordt nooit moe! Wij mensen zijn zwak en kwetsbaar, dus wij raken uitgeput. Maar God toch niet? Die bekende woorden van het slot van Jesaja 40: ‘Weet u het niet? Hebt u het niet ge-hoord? De eeuwige God, de HEERE, de Schepper van de einden der aarde, wordt niet moe en niet afgemat. Er is geen doorgronding van Zijn inzicht. Hij geeft de vermoeide kracht en Hij vermeerdert de sterkte van wie geen krachten heeft.’

En zo zegt de Heere Jezus zelf, als hij er op aangesproken wordt dat Hij op zondag geneest: ‘Mijn Vader in de hemel werkt altijd, en Ik ook’ – dat betekent: God is altijd actief. Lied 11 uit Weerklank: ‘want Hij bergt u in zijn vrede, zegenend wordt Hij niet moe’. Maar Genesis 2 zegt: ‘Op de zevende dag rustte God van Zijn werk’ En: Hij zegende die dag, en heiligde die.
Weet u? Dat staat er om ons. God geeft ons het ritme van zes dagen werk en één dag rust mee, en dat wordt op deze wijze uitgedrukt: God rustte zelf ook op de zevende dag, en vol-tooide zo zijn werk. Dat staat er voor ons. En zo krijgt dat een zwaar gewicht. Hoe kunnen wij ooit passend van God spreken? We spreken van Gods hand, en Gods ogen die ons zien; en nu van God die rust… Maar God heeft geen lichaam, want God is Geest, Johannes 4, en er is geen doorgronding van Zijn wijsheid, Jesaja 40. Maar toch: God daalt naar ons af, en zegt: na zes dagen werk was Mijn werk voltooid, en rustte Ik. En Ik heilig die dag, en zegen die. Dat staat er om ons: na zes dagen werk: een dag rust. En God heiligt, zegent juist die dag; dat staat er niet van de andere dagen: ‘En God zegende de zevende dag en heiligde die’. Niet in de trant van: alleen de vrije dag wordt gezegend, omdat werken niet leuk is; dus eigenlijk een onderwaardering van de werkweek; nee: een werkweek zonder rustdag is geen werkweek, het gaat om het ritme: op werken volgt rust, en dat zegent God. De rust voltooit de werkweek. Zoals God rustte: zo moeten ook wij rusten.

Dat dat zo in de Bijbel staat, betekent als eerste: Na zes dagen werk wordt onze aandacht dus weer van schepping teruggebracht naar Schepper. In het begin, nog voor de schepping er was, was God er. En nu, aan het einde: is de cirkel rond en vinden we rust bij God. God staat aan het begin en God staat aan het einde. Er staat niet: en laat de schepping op de 7e dag rusten, maar: God rustte op de 7e dag – en daarom nu ook de schepping. En dan is onze aandacht op Hem gericht.

Ik had het bij de preek uit Genesis 1 over die balansoefening: tussen mens, Schepper en schepping. En we zien zelf vaak alleen ons en de schepping, het milieu, en niet God; die be-trekken de we dan niet in de ecologische crisis. En dan moeten wij de aarde redden. Maar Genesis 1 en 2 leren ons: zonder God gaat dat niet gebeuren. Als we niet eerst ook leren rust te vinden in God, zal er ook niet gewerkt worden. Wij moeten leren leven uit Gods rust. God, die na een werkweek zegt: neem rust, en Ik zal het zegenen; Ik heilig deze dag voor jullie; Ik zet hem voor jullie apart. Alleen vanuit de rust in Mij is er de zegen waaruit je deze schepping als Mijn Beeld kan beheren. Dat betekent vers 3: ‘En God zegende de zevende dag en heilig-de die’.

Rust mijn ziel, uw God is Koning,
heel de wereld zijn gebied.
Alles wisselt op zijn wenken,
maar Hij zelf verandert niet.

In de kerk kom je tot rust voor Gods aangezicht.

Alleen zo heeft ook je werkweek zin. Want je brengt je werk bij God, onder Zijn heerschappij. Zo voltooi je het. En zo belooft God zijn zegen. Vanuit die rust en die zegen is er dan ook de opdracht die God de mens op de 6e dag gaf: om over Zijn schepping te heersen, als Zijn Beelddrager. Wanneer wij dan over die schepping heersen, is dat in het zelfde patroon van werk en rust. Dat blijkt uit het verdere van de Tora, de wet van Mozes. We horen elke zondag de wetslezing, waar geboden wordt:10 maar de zevende dag is de sabbat van de HEERE, uw God. Dan zult u geen enkel werk doen, u, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienaar, noch uw dienares, noch uw vee, noch uw vreemdeling die binnen uw poorten is.’ En zo ook met het land, zo lazen we uit Leviticus: bebouw het zes jaar, maar het zevende jaar: ‘moet het voor het land sabbat zijn, een periode van volledige rust, een sabbat voor de HEERE.’ ‘rust, volledige rust, voor de Heere’, staat er.

God weet hoe de mens, aan zichzelf over gelaten ,als maar zal doorrennen, zonder aan de schepping te denken, en vooral: zonder aan Zijn Schepper te denken. En zo ook zichzelf te vergeten. Alle balans zoek. Daarom doorbreekt God heilzaam ons zwoegen en draven; steekt God een spaak in het wiel, en zegt: op de zevende dag: rust. En: ook voor de dieren, en ook voor het land.
Waarom? Omdat dat goed is voor het land. In Exodus 23 wordt deze instelling van het sabbathsjaar ook genoemd, en dan met de motivatie: zodat u zelf; uw land, uw os en uw ezel: ‘kunnen rusten en op adem kunnen komen’. Exodus 23:12. Om op adem te komen. Wat een mooie, beeldende uitdrukking.
En Leviticus zegt: waarom? Om God: het zevende jaar: ‘moet het voor het land sabbat zijn, een periode van volledige rust, een sabbat voor de HEERE.’ En, zegt Leviticus 25 verderop: want het land is van Mij.

Mens, dier en land, ze worden door God als één geheel behandeld, want zij hebben allen als schepping op zijn tijd rust nodig. Een dag, een jaar ‘om op adem te komen’. Omdat het goed is; omdat God het wil – want de aarde is niet van ons, maar van Hem. Zo zijn wij aangesteld om te heersen over de schepping als beelddragers van God; in die balans, in dat ritme: werken en rust, onder de zegen van de Schepper, die zelf ook rustte van Zijn werk. Zo is ons ook het beheer van de aarde toevertrouwd. Vanuit de rust in God, als opdracht van God.
Als eerste vraag in de balans-oefening dan: heb ik zelf rust bij God? Voor ik naar de schepping kijk – heb ik zelf die rust? Zonder God zijn wij onrustig. Is ons hart opgejaagd. Zonder God begrijpen we ons eigen leven niet; de medemens niet en de wereld om ons heen. Ze zijn ons eerder chaos; woestheid en warboel. Hoe kunnen we dan goede beheerders zijn?

Augustinus zei: we zijn geschapen tot God, en onrustig is het hart, tot het rust vind in God.

Als ik de rust ken in God, ‘Wat zou mijn hart nog liever wensen // dan dat het juichend u ontmoet // die leven zijt en leven doet’ – Psalm 84 vers 1 in de berijming van het liedboek voor de kerken. Psalm 131:
Heb ik mijn ziel niet naar uw wil
gevoegd in vrede, mild en stil,
zoals het pas gespeende kind
troost in zijn moeders armen vindt

We leven in een ecologische crisis, en komt het niet voort uit onze onrust? Zonder vrede met God, zonder rusten in Hem is de maat zoek en is er geen richting. Zonder God is er geen verzadiging, en dus willen we altijd meer. In de economie: er moet altijd meer winst gemaakt worden, er moet altijd groei zijn. En wij willen altijd meer. Meer voorspoed, meer kunnen doen, meer groei en ontwikkeling, zonder grens, tot aan de hemel. We willen steeds meer profiteren van de welvaart.

Maar zo komt er nooit ruimte voor een economie van het genoeg. God die zegt: na zes dagen werk is het genoeg. Voltooid. Klaar. En nu rust. Paulus, 1 Timotheüs 6 vers 8: ‘Als wij voed-sel en kleding hebben, zullen wij daarmee tevreden zijn.’ Dat kan Paulus alleen zeggen omdat hij vlak daarvoor spreekt over ‘de godsvrucht’; het dagelijkse wandelen met God.
Leer eerst de zondag vieren; als de dag van rust en zegen, als de dag van kracht omdat Jezus op die dag opstond uit de dood; en zo ook de schepping toekomst geeft; ons leven zin. Dat als eerste in de balansoefening: rust in God de Schepper, de Verlosser.
En dan als tweede: in die geest ook heersen over de schepping. Zo is Gods opdracht. Als u zelf rust, laat dan ook uw dieren rusten. En het land. ‘Als gij niet wilt wat u geschiedt, doe dat ook de schepping niet’.

Maar hoe moet dat? Land en dier laten rusten? Wel, die rust, dat op adem komen staat tegenover: uitputten. Je dieren en het land niet uitputten. Dus: wanneer je vis uit de zee vist, geef het dan ook ruimte voor herstel. En als je oerwoud kapt, geef het dan ook ruimte voor herstel. Als de broeikasgassen of de stikstofuitstoot te hoog zijn – geef het dan ook ruimte voor herstel. Zodat de schepping niet uitgeput raakt. Zodat de natuur op tijd op adem kan komen.
Ja, hoe kan er dan zegen rusten op onze huidige manier van leven, waarin de schepping op geen enkele manier de kans krijgt om tot rust te komen?
Bij de profeten lezen we van Gods oordeel, wanneer Israël uiterlijk wel de sabbat houdt, maar ondertussen de armen vertrapt en bezig is met oneerlijke handel op de andere 6 dagen. Amos 8. Als Israël zegt: ‘wanneer is de nieuwe-maansdag, de sabbat, voorbij, zodat we weer verder kunnen met onze oneerlijke handel?’ Waarop de profeet antwoordt:
‘De HEERE heeft gezworen bij de glorie van Jakob: Nooit zal Ik al hun daden vergeten! Zou hierom het land niet sidderen?’ (vers 7-8). Ja, zou hierom het land niet sidderen? Want als Israël onrecht deed: dan kwamen er hongersnoden, dan waren er jaren van droogte – de aarde getuigde tegen het volk… tot er verootmoediging en bekering kwam.

Wij putten de aarde uit, op alle fronten, overal. Want de rust in God ontbreekt, en dan is er mateloze onrust, die nooit genoeg heeft. Dan wil je steeds meer comfort en vermaak en techniek, als een verdovend, verslavend middel, om de leegte te overschreeuwen. Maar de balans is zoek. De schepping raakt uitgeput omdat we de ware sabbatsrust niet kennen.

Werkelijk: zonder God komen we niet uit deze ecologische crisis. De wereld heeft verlossing nodig.
Jezus zegt: Ik ben Heer, óók van de sabbat. En Jezus zegt: ‘Kom naar Mij toe, allen die ver-moeid en belast zijn, en Ik zal u rust geven. Neem Mijn juk op u, en leer van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en u zult rust vinden voor uw ziel; want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht.’
Rust vinden bij God op sabbat; rust vinden in Jezus, die ons leven verzoend heeft en richting geeft en rust. Alleen zo ontstaat er ruimte voor een economie van het genoeg. Van: ‘Als wij voedsel en kleding hebben, zullen wij daarmee tevreden zijn.’ Tegenover hebzucht en mateloosheid zijn er dan de vruchten van de Geest zoals vrede en zelfbeheersing; matigheid; maat weten te houden. Dan is er balans.
Ja. Op welke dag was God klaar met Zijn scheppingswerk?

Niet de 6e maar de 7e dag. Gelukkig maar. We worden wekelijks stil gezet voor het goede leven uit de rust. Om balans te vinden. Om eens naar buiten te gaan. Om de zee te zien, het bos, de bergen, het sterrenstelsel. Om zo, met God, op de eerste zes dagen terug te kijken; die schepping goed te beheren, zodat wij zeggen kunnen: en zie het is zeer goed.

3. Onze wereld: ‘woestheid en warboel’ en toch Gods schepping?
Genesis 1:1-3 & Psalm 90

ook als preek te beluisteren

Genesis 1:1-3 HSV
11 In het begin schiep God de hemel en de aarde. 2De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en de Geest van God zweefde boven het water. 3En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht.

Eigenlijk is op het ijs staan best eng. Afgelopen winter vroor het, en misschien bent u, ben jij op het ijs geweest. Ik in ieder geval wel, en toen ik er op stond, ben ik even door mijn knieën gegaan, en keek ik door het ijs heen naar het water er onder. Dreigend, donker, onheilspellend, ijskoud. Oh wee als je door het ijs zakt! Maar gelukkig: het ijs was een paar centimeter dik, en dus stond ik veilig.

Dat is precies Genesis 1 vers 1 en 2! Vers 1 – het openingsvers van de Bijbel – is het veilige ijs. Want: in het begin schiep God hemel en aarde. Deze wereld, mijn leven: halleluja, God staat aan het begin! Hij heeft het eerste woord. Wat een veiligheid; ik kan rechtop staan. Maar: vers 2: de aarde nu was woestheid en warboel. En er ligt duisternis over de watervloed. Dat wordt gezegd, voordat God dan daadwerkelijk gaat scheppen, in vers 3. ‘En God zei: er zij licht!’. Tussen vers 1 en 3 tekent Genesis eerlijk ook de dreiging van vers 2, die gevoeld wordt. Als die donkere, dreigende, diepe, koude watermassa onder het ijs. Vlak onder onze voeten!

Dat is de opening van de Bijbel: Bij God zijn wij veilig (vers 1), al is ons bestaan een bedreigd bestaan (vers 2). Maar toch bij God alleen veilig. Het ijs is dik genoeg. Twijfel niet; wees niet bang in dit leven; al gaat de storm te keer.

Ja, dat is opvallend in de Bijbel. Vers 1 spreekt oppermachtig over Gods scheppen van onze wereld. Een machtige klaroenstoot: ‘In het begin schiep God de hemel en de aarde.’ En God schept door te spreken, dag na dag: ‘En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht.’ Vers 3. Maar wacht even: daar tussen staat nog vers 2. ‘2De aarde nu was woestheid en warboel (in het Hebreeuws twee rijmwoorden), en duisternis lag over de watervloed’. Zo was de situatie voor de schepping van onze wereld. bedreigende termen: woestheid, warboel, duisternis. Maar waarom staat dat in het scheppingsverhaal? Dat is niet als interessant weetje van hoe het ooit was – en nu is het voor altijd anders. Nee, het is Gods erkennen van een oer-ervaring dat wij ons bestaan ervaren als een bedreigd bestaan. Zoals ook in de scheppingsverhalen van omliggende volken er altijd de oer-chaos op de loer ligt, waarin de schepping weer terug dreigt te verzinken.
Hoe oppermachtig God aan het begin staat, en zal blijven tot het eind – het betrouwbare ijs om op te staan – toch doet Gods Woord er direct recht aan dat we ons leven als een bedreigd leven ervaren – help, dat donkere water onder ons!
woestheid, warboel, duisternis, overal om ons heen!

Waar is Gods veilige schepping, als we naar onze wereld kijken! Er is warboel, want één virus, zo minuscuul klein, legt heel de wereld plat. En dat is een virus buiten ons. Maar de warboel zelfs in ons lichaam: één celdeling in ons lichaam moet maar op hol slaan, en er komt een hele snelle celdeling, en die groeien uit tot een gezwel… en je hebt kanker.
En duisternis lag op de watervloed – ja: duisternis: hoe kwetsbaar is onze psyche, en je kunt wegglijden in een depressie, die zich het best laat verwoorden met het woord: duisternis. (En er is nergens licht, zoals Psalm 88 eindigt).
En onze wereld: hoe bedreigd door een opkomende ecologische ramp. Biodiversiteit verdwijnt; door opwarming van de aarde zullen overstromingen en misoogsten toenemen; en er is overbevolking… op wat voor planeet laten we onze kinderen, onze kleinkinderen straks achter?

Ja; zo is de wereld nu eenmaal. Vers 2. Dat is alles; er is geen vers 1, zegt de huidige wetenschap. Er is geen persoonlijke schepper van jouw leven, je staat niet op veilig ijs. Er is eerder de grilligheid van het toeval, zoals de evolutietheorie als levensbeschouwing leert.
Er is niet aan het begin een persoonlijke schepper die uit vrije wil en liefde ons gemaakt heeft, maar: een onpersoonlijke oerknal waardoor wij nu bij toeval er zijn – en alles straks weer terugkeert naar de staat van chaos en duisternis. Want als over zoveel miljard jaar de zon is opgebrand, gaat het licht letterlijk uit, wordt het hier weer koud, en gaat alles weer dood, terug naar af. Niet het veilige ijs is de basis, maar vers 2: woestheid en warboel. En: leer er mee te leven. Zo leeft de wereld, met alleen vers 2.

De dichter J.C. Bloem schreef in 1931 een gedicht die dit levensgevoel – dat van alle tijden is – zo prachtig verwoordt. De laatste verzen gaan zo:

‘Niet te verzoenen is het leven.
Ten einde is dit wellicht nog ‘t meest:
Te kunnen zeggen: het is even
Tussen twee stilten luid geweest.’

Dat is vers 2! Wat een worsteling van de mens: ‘Niet te verzoenen is het leven’ – dat betekent: er is geen zin aan te geven, wat je ook probeert! Want wat je maximaal kunt zeggen is hoogstens dit: ‘het is even tussen twee stilten luid geweest’. Daar bedoelt Bloem ons leven mee. Voor onze geboorte is er niets; na de dood is er niets. Daartussen hebben we even geleefd; is het even luid geweest. Meer valt er niet te zeggen. En de levenskunst is: daar mee om te gaan, en er toch nog wat van te maken. Van woestheid en warboel. Leer er mee te leven. Welk een opgave!

We staan op het ijs. Onder het ijs de dreiging. ‘woestheid en warboel’ zegt Genesis 1; duisternis. Staan we eigenlijk wel veilig? Is dat ook niet een worsteling in het geloof? Zoals in de Psalmen de vijanden aan de dichter vragen, hem tarten: ‘Waar is God op wie gij bouwde? // en aan Wie g’uw zaak vertrouwde?’ (psalm 42 vers 6 berijmd). De Psalmisten die zoveel duisternis ervaren! Psalm 88 – tot de laatste regel: ‘en er is nergens licht’.

Ja, in alle eerlijkheid: wat is de bodem van je bestaan, en: zak je daar niet door heen?

En toen sprak God.
Onze beleving van het leven is vers 2. Maar daar begint Gods Woord niet mee!
Hoe bevrijdend: het eerste woord ligt bij God. Aan vers 2 gaat gezaghebbend vers 1 vooraf: ‘In het begin schiep God de hemel en de aarde.’
Dat is zo een duizelingwekkende uitspraak! Die komt van de andere kant! Die hebben wij mensen nooit kunnen bedenken. In woestheid en warboel vraagt de mens zich af: is er misschien meer tussen hemel en aarde? Is er misschien meer dan we met onze ogen kunnen zien? En is dat dan God? En is daar ooit zekere kennis over te krijgen? En kunnen we die ooit ervaren? En we zoeken en we vragen en we twijfelen en we wantrouwen…

En het antwoord op die vraag is overrompelend. Want Gods spreken strekt zoveel verder dan de gestelde vragen. Want glorierijk staat God daar aan het begin; dat allereerste woord. ‘In het begin schiep God, de God van Israël, oppermachtig hemel en aarde!’. Niks geen warboel, niks geen duisternis! In het begin was God er, en Hij alleen; soeverein!

Wij kunnen ons niet voorstellen wat het begin is geweest. Wat is een begin? Want wat was er dan voor het begin? Was er dan geen heelal, en waar was dan de hemel en God?
Wel: God staat soeverein buiten tijd en ruimte. Hij is Zelf niet geschapen, onderworpen aan de wetten van de natuur. God is niet oud – Hij heeft geen wit haar en een baard, want Hij heeft geen leeftijd en is eeuwig jong. Want: God staat aan het begin. In het begin schiep God de hemel en de aarde.’
Wij kunnen niet verder terugvragen, en het hoeft ook niet. God zegt: Ik sta aan het begin.
Niet wij, niet de afgoden, niet de woestheid en warboel of duisternis. God zelf. Niet als interessant weetje, maar als geloofsbelijdenis, zodat we Hem zouden vertrouwen. Wie in deze God gelooft, wie staat op deze belijdenis, die staat op stevig ijs.

Genesis 1 staat niet in de Bijbel als interessant weetje over hoe het nou precies was in het begin. Als iets van vroeger, de 1e bladzijdes uit het foto-plakboek – maar nou en, ik leef vandaag. Nee, Genesis 1 gaat over vandaag! Want waar sta je! Vers 1 wil midden in een bedreigde wereld vertrouwen wekken door te belijden: de Heere is God, Hij staat aan het begin. ‘Vertrouw op Hem, en d’ uitkomst zal niet falen’ (Psalm 37:3 berijmd).

Want: God schiep deze wereld – hemel en aarde- , zo staat er. Dat betekent: uit vrije wil heeft God besloten: het is beter dat er iets is dan dat er niets is. En God nam initiatief, en schiep de wereld, waarvan Hij na zes dagen werken zou zeggen: ‘het is zeer goed’. Vers 31. ‘En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed.’ Niet met tegenzin, niet uit dwang, maar uit vrije liefde. Dat is Gods ‘scheppen’ – een werkwoord dat in de hele verdere Bijbel nooit voor menselijk maken wordt gebruikt, maar alleen aan God is voorbehouden.

Hij kan dat: iets uit niets maken, en dan constateren: het is zeer goed.

Uit het vervolg van de Bijbel, ontdekken we dat ‘scheppen’ een heel positief woord is. God schiep met ‘wijsheid’, zo zegt Spreuken. En dan wordt wijsheid zelfs met een hoofdletter geschreven. De Wijsheid was voor Gods aangezicht, toen God de aarde schiep. Een toespeling op Jezus, op de genade, die bij de schepping al betrokken was.
Rond Gods scheppen valt het woord ‘gerechtigheid’; Psalm 97:6 ‘De hemel verkondigt Zijn [Gods] gerechtigheid en alle volken zien Zijn heerlijkheid. Beschaamd moeten zijn allen die beelden dienen en zich op de afgoden beroemen.’

Dat wekt vertrouwen. De wereld heeft een begin. En God de Vader, God de Zoon, God de Heilige Geest staan daar. En zei zijden: ‘Laat ons mensen maken’. Wij zijn hier niet door toeval, in een leeg universum. Nee: aan het begin stond God, en Hij heeft ons geschapen. We staan op stevig ijs. Psalm 90, uit Weerklank:

Want:

Gij zijt geweest, o Heer, en Gij zult wezen
de zekerheid van allen die U vrezen.

Want:

Nog eer de bergen uit de baaierd stegen,
de aarde en de zee gestalte kregen,
nog eer uw scheppend woord aan alle leven
een wereld om te wonen heeft gegeven,
God, zijt Gij God, dezelfde die Gij zijt,
van eeuwigheid en tot in eeuwigheid.

Dat geeft vertrouwen om te leven – midden in een bedreigd bestaan. Dat is ook Psalm 90. Psalm 90 ervaart ook vers 2, dat bedreigde bestaan. Die oudejaarspsalm, dat ons leven zo snel voorbij gaat, en wat blijft er van ons over? Maar toch vanuit dat vertrouwen van God de schepper dan aan het einde:

Laat, Heer, uw volk uw daden zien en leven
en laat uw glans hun kinderen omgeven.
Zie op ons neer met vriendelijke ogen.
O God, bescherm ons in ons onvermogen.
Bevestig wat de hand heeft opgevat,
het werk van onze hand, bevestig dat.

Alleen staan de op het belijdenis van Genesis 1:1 kunnen wij zinvol leven.
Zelfs in een bepaalde zorgeloosheid.
Zegt Jezus niet: Wees niet bezorgd over de dag van morgen. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. God zorgt voor u. Want als Hij zorgt voor het gras op het veld, de bloemen, de vogels, die Hij geschapen heeft, hoeveel te meer voor jullie, jullie kleingelovigen? Jullie die zo leven vanuit vers 2 – maar er is toch eerst vers 1?

Weet j, deze machtige woorden van vers 1, de magistrale opening van de hele Bijbel: die wekt niet alleen vertrouwen en onbezorgdheid, maar bovenal: lofprijzing. Zo komt de schepping het meeste in de Bijbel voor, vooral in de Psalmen. Als reden tot lofprijzing. En dat komt op uit Genesis 1. Is heel dit hoofdstuk niet een lofgedicht op Gods goedheid; op God die de mens in deze barre wereld toch een veilig huis geeft, en een gedekte tafel. Dat is Genesis 1.
De steeds herhaalde zin: ‘En God zag dat het goed was’ – dat vraagt om een antwoord.
Psalm 8; Psalm 33; Psalm 136; Psalm 148; Job 38.

Ik moet zeggen: ik heb hier juist jaren tegen aan gelopen: lofprijs vanuit de schepping. In mijn jeugd was ik meer buiten dan binnen; meer in de natuur dan op school. De Biesbosch in, naar de Waddeneilanden, en dagen buiten zijn in de natuur. Vogels kijken. En ik ervoer wel kracht in de natuur – maar nooit zag ik er God en zijn majesteit in, maar eerder vers 2: woestheid en warboel; het onpersoonlijke en harde van eten en gegeten worden van de dieren, het kort leven van de dieren en hun wrede bestaan. Vanwege de grillige natuur. Onpersoonlijk en hard. Vers 2. En nu: vers 2: dat alles wordt ook niet ontkend. Maar vers 1 gaat er aan vooraf als geloofsbelijdenis, wat betekent: God moest mijn ogen er voor openen, en door bekering mijn hart veranderen, waardoor er vertrouwen kwam op God, en de zekerheid: toch zal dat harde niet het laatste woord hebben. De schoonheid breekt er al in door, op duizend manieren.
Toch is het schepping, en kijk naar de kleuren, de vormen, het onuitsprekelijke; toch breekt Gods majesteit er in door. Ik geloof het.
Romeinen 1:20: ‘Want de dingen van Hem die onzichtbaar zijn, worden sinds de schepping van de wereld uit Zijn werken gekend en doorzien, namelijk én Zijn eeuwige kracht én Zijn Goddelijkheid, zodat zij niet te verontschuldigen zijn. Want zij hebben, hoewel zij God kennen, Hem niet als God verheerlijkt of gedankt, maar zij zijn verdwaasd in hun overwegingen en hun onverstandig hart is verduisterd.’

Genesis 1 is geen wetenschappelijk betoog, die jou door argumenten het ijs op wil lokken. Het is een geloofsbelijdenis, die vraagt om bekering; om zo op het ijs te komen te staan, en te vertrouwen.
En zorgeloos te leven. En God te danken. Ik zie nog steeds de hardheid in de natuur. Het onpersoonlijk-evolutionaire.  Maar Gods Woord heeft gezag en kracht, en doet mij toch vertrouwen: God staat aan het begin. Ik moet Hem vertrouwen. En dan is daar lied 418

1 Aan U behoort, o Heer der heren,
de aarde met haar wel en wee,
(…)
3 De zorgeloze vogels melden
dat Gij uw schepping niet vergeet.
‘t Is alles een gelijkenis
van meer dan aards geheimenis.

4 Laat dan mijn hart U toebehoren
en laat mij door de wereld gaan
met open ogen, open oren
om al uw tekens te verstaan.
Dan is het aardse leven goed,
omdat de hemel mij begroet.

Wat is de grond van je bestaan. Hoe sta je in het leven? Leven is staan op het ijs. Hoe dan ook. Want je bent er en je leeft. God zegt: het ijs is dik genoeg.
Ik ben er voor je. Ik heb je gewild. Ik heb je gemaakt. En in een veilige wereld gezet, want Ik ben er bij. Ik sta aan het begin, Ik zal ook aan het einde staan.

Heere, bekeer mijn hart. Om al Uw tekens te verstaan. Dan is het aardse leven goed. Omdat de hemel mij begroet.

Amen

Alles verlaten om Jezus’ wil

M.Bot Preek Luk 14,25-27

De arbeiders in de wijngaard

M.Bot Preek Mt 20,1-16

Vervuld met de Heilige Geest

M. Bot meditatie Vervuld met de Geest Ef 5-18

Aan het begin van een nieuwe periode

M.Bot meditatie Aan het begin Prediker12,13a

Onze enige pleitgrond

M.Bot Onze pleitgrond